Maas theater dans podium

Doe de test


  1. Je staat bij een zebrapad. Het stormt heel erg hard en je hebt een paraplu vast. Er loopt een oudere mevrouw zonder paraplu met moeite het zebrapad over. Wat doe je?

Je rent naar de mevrouw toe, houdt de paraplu boven haar hoofd en rent met de vrouw naar de overkant.
Je doet niks. Had ze maar een paraplu mee moeten nemen. Ze komt heus wel aan de overkant terecht.
Je roept naar de vrouw: “gaat het goed?”. De vrouw hoort je niet. Je stapt vervolgens in een grote plas met water en de paraplu waait uit elkaar. De vrouw is veilig aan de overkant maar zelf ben je kletsnat.
Je loopt gecontroleerd naar de vrouw toe. Je geeft je eigen paraplu aan de vrouw en samen gaan jullie naar de overkant.

Correct!

Wrong!


  1.  Wat doe je als iemand een vervelende opmerking maakt die je niet leuk vindt?

Je zegt niks en maakt alleen maar stomme opmerkingen terug.
Je wil zeggen dat je het niet leuk vindt, maar je struikelt over je woorden.
Je vindt het heel spannend, maar je stapt toch naar diegene toe en zegt dat je het niet leuk vindt wat hij/zij zegt.
Je vindt het niet fijn, dus stap je zonder moeite op diegene af. Je vraagt met dwingende toon of hij/zij wil stoppen.

Correct!

Wrong!


  1. De voetbal van je beste vriend is door het kelderraampje van school gevallen. De kelder is verboden terrein en je vriend durft hem niet te halen. Wat doe je?

Je vindt het vervelend voor je vriend, dus ga je naar de directrice van de school om te vragen of zij de bal wil halen.
Het is de bal van je vriend, dus je klimt door het raampje heen en gaat de bal halen.
Je zegt dat je vriend hem zelf maar moet halen, hij is toch niet bang?
Je wilt de bal gaan halen, maar je komt vast te zitten in het raampje waardoor je trui scheurt en je niet meer naar beneden durft.

Correct!

Wrong!


  1. Je vriendin is nog nooit naar buiten geweest. Jij wilt haar meenemen naar de kermis, maar je vriendin durft niet. Wat doe je?

Je neemt een grote suikerspin mee voor je vriendin, maar er blijft niets van over na een flinke regenbui.
Je geeft het op, laat weten dat het echt heel jammer is voor je vriendin en noemt haar een bangerik.
Je denkt met je vriendin mee en je laat haar niet iets doen wat zij niet wil.
Je stop je vriendin in een karretje en neemt haar gewoon mee naar de kermis.

Correct!

Wrong!


  1. Je klasgenootje steelt een snoepje van de juf. De juf denkt dat jij het bent geweest en geeft jou straf. Wat doe je?

Je zegt dat jij het niet bent geweest en geeft eerlijk toe dat je klasgenootje het is geweest.
Je wordt woest en zegt dat je het niet eerlijk vindt en dat je klasgenoot het heeft gedaan.
Je bent zo geschrokken en durft het niet te zeggen, dus je doet netjes wat je gevraagd wordt.
Je wordt verdrietig en je zegt dat je het niet bent geweest. De juf gelooft je.

Correct!

Wrong!


  1. Stel, je hebt hoogtevrees en je staat op een 10 meter hoge duikplank om in het water te springen. Al je vrienden staan achter je en roepen dat je moet springen. Wat doe je?

Je loopt langzaam naar het einde van de plank, maar je glijdt uit, balanceert op een been en valt uiteindelijk gillend in het water.
Je wilt dit voor jezelf overwinnen, dus je gaat staan op de plank, telt af en springt in het water.
Je ademt diep in, je vindt van jezelf dat je niet moet zeuren en rent zonder na te denken de plank af.
Het is echt té spannend en je gaat rustig weer de trap af. Het maakt niet uit wat de rest van je vrienden zeggen.

Correct!

Wrong!


  1. Er is iemand door het ijs gezakt. Wat doe je?

Je gooit een touw.
Je gilt paniekerig in het rond en roept om hulp.
Je schreeuwt instructies vanaf de kant.
Je rent naar het gat en haalt diegene uit het water.

Correct!

Wrong!


  1. Er is storm op komst. Je moet de vuurtoren aansteken met een lucifer, maar de lucifers zijn op. Wat doe je?

Je begint te huilen en raakt in paniek.
Je wordt boos en stuurt iemand anders de storm in.
Je gaat op zoek naar twee vuurstenen om vuur te maken.
Je rent door de storm naar de kruidenierswinkel en je koopt lucifers.

Correct!

Wrong!


  1. Je hebt gehoord dat er op de zolderkamer van een groot eng huis een monster zit. Wat doe je?

Je doet de deur op slot en hangt een ‘verboden toegang’-bordje op.
Je gaat de trap op en gaat een kijkje nemen.
Je zet een bordje eten neer net achter de deur.
Je durft niet naar boven te kijken en je komt nooit in de buurt van de zolderkamer.

Correct!

Wrong!


  1. Je bent met een roeibootje op zee en je raakt een riem kwijt. Wat doe je?

Je steekt een nood-vuurpijl af en drijft met de golven mee.
Je raakt in paniek, begint te huilen en gaat zwaaien in de hoop dat iemand het ziet.
Je maakt met de materialen die er nog zijn een zeil, zodat je op de wind verder kan gaan.
Je probeert met één riem verder te roeien, zodat je dichter bij de kust komt.

Correct!

Wrong!


  1. Je ziet twee kinderen op straat in een vechtpartijtje. Wat doe je?

Je gaat samen met iemand anders naar de kinderen toe en spreekt ze aan op hun gedrag.
Je schrikt en loopt gauw door.
Je springt ertussen, haalt ze uit elkaar en spreekt ze streng toe.
Je roept dat ze moeten stoppen.

Correct!

Wrong!


  1. Hoog in een boom zie je een kat vastzitten. Wat doe je?

Je klimt in de boom en haalt de kat eruit.
Je pakt een trap, haalt de kat uit de boom en laat hem vervolgens een tijdje niet naar buiten gaan.
Je schrikt je dood en je belt snel de brandweer op.
Je pakt een trap, haalt de kat uit de boom en verzorgt hem vervolgens extra goed.

Correct!

Wrong!

Share the quiz to show your results !

Subscribe to see your results

Personality Quiz Dapper

I'm %%personality%%

%%description%%

But I'm also %%personality%%

%%description%%

Loading...